Artikelen

Dr. D.W. Gravendeel, die veel naspeuringen heeft verricht naar het dorp 's-Gravendeel, vanwege zijn naam - en dus de herkomst van zijn voorgeslacht – heeft ervoor gezorgd dat al de rechterlijke en notariële archieven van 's-Gravendeel gefotografeerd werden. Op grond van alle gegevens die hij bijeen heeft gebracht, heeft hij een aantal artikelen geschreven over de bewoners van 's-Gravendeel in de 17e en 18e eeuw.

Wij zijn van plan ieder kwartaal een van die artikelen op deze site (erbij) te plaatsen

 

Scheepswerven
door Dr. D.W. Gravendeel

Je zou verwachten dat er in een dorp met een haven aan een druk bevaren rivier wel gelegenheden tot scheepsherstel zouden zijn. En omdat hout toen het enige in aanmerking komende materiaal was, zullen het de timmerlieden zijn geweest, die daarvoor verantwoordelijk waren. Op 't Quohier van 1680 komen echter in het havenkwartier geen timmerlieden voor. Een schipper met een mankement aan zijn schuit moest dit dus zčlf verhelpen of hij moest de hulp inroepen van een timmerman op 't dorp.

         Daarin kwam omstreeks 1700 verandering toen de Mr. timmer­man Pieter Davids Bijl zich in 's-Gravendeel vestigde. Hij kocht op 28.11.1685 als Pieter Davids "Verhagen" (hij wordt ook een enkele maal "Snelleman" genoemd) een huis op de hoek van de Rijkestraat (aan de zuidzijde) en de Langestraat en verkocht dat weer op 24.06.1706 als Pieter Davids "Bijl".

Op 25.10.1703 kocht hij een huis in Renooishoek en verkocht dat weer op 24.06.1706. Blijkbaar waren dit slechts "voorhoede gevechten" want op de lidmatenlijst van 1706 komen Pieter Da­vids Bijl en Martha (Isaacks de Bruijn), zijn huisvrouw, voor "Langs de Haven". Ik heb geen koopakte kunnen vinden, dus wel­licht heeft hij 't huis zelf gebouwd.

         Pieter kan omstreeks 1655 geboren zijn. Zijn vrouw Martha was eerder getrouwd met Jan Andriesse. Haar overlijden werd door Pieter aangegeven op 15.12.1710. Uit het huwelijk werden drie kinderen geboren:

Dirkje (trouwde met Simon van Roon), Maaike (trouwde met Jan van Stralen) en David.

         Dat Pieter zich daadwerkelijk met schepen bemoeide, wordt bewezen door een zaak die hij voor de Vierschaar aanspande op 17.04.1704 tegen Teunis Reijers Kranendonk en Teunis Hendriks van Es, gewezen veerlieden van 't veer op 's-Gravendeel, terza­ke van in 1702 verrichte reparatie van vaartuigen. Overigens timmerde hij met evenveel gemak doodkisten, maar dat deden zijn collega's ook, want daaraan was voortdurend behoefte.

         Na de dood van Martha liet Pieter zijn oog vallen op een boerendochter, Joosje Ariens 't Jongh, en daarvoor moesten huwelijkse voorwaarden worden opgesteld. Joosje bracht grond n en Pieter zijn huis op de dijk langs de Haven, zijn timmer­mans­gereedschap en een ellenlange lijst debiteuren. De laatste zal wel de meeste indruk op zijn aanstaande schoonouders gemaakt hebben. Het voorgenomen huwelijk werd aangegeven op 04.06.1711.

Joosje maakte het niet lang. Pieter gaf haar overlijden aan op 18.02.1713. Op de lidmatenlijst van 1714 staat Pieter Davids aan de "buitendijk, boven op de dijk".

         Na het overlijden van Joosje had hij op 09.03.1713 zijn huisraad doen veilen en was hij vertrokken naar Herwijnen. In 's-Gravendeel was hij schepen geweest in 1708, 1710 en 1712 en diaken.

         Op 02.01.1715 gaf hij zijn derde huwelijk aan, met Dirkje Vervoorn, "wonende tot Herwijnen" (ca 10 km oostelijk van Go­rinchem, aan de Waal). In 1726 werd hij weer te 's-Gravendeel als lidmaat ingeschreven, komende van Herwijnen, maar in 1730 ver­trok hij weer naar Dalem (ca 1 km oostelijk van Gorinchem, aan de Waal).

         Inmiddels had hij op 14.01.1727 zijn testament gemaakt. Zijn timmermansgereedschap en zijn huis bij 't Veer gingen naar zijn zoon David. Pieter overleed in 1731 en werd op 13 januari in graf no. 113 te 's-Gravendeel begraven.

         Zoom David nam het timmerbedrijf over en erfde het huis op de Havendijk en dat bij 't Veer. David kan omstreeks 1680 zijn geboren. Hij trouwde achtereenvolgens met Ariaantje Corsse Mookhoek (┼1731) en met Teuntje Ariens Vogelaar (┼1744).

         Hij vroeg in 1739 attestatie om elders het avondmaal te mogen vieren. Onze Zebedeus ergerde zich aan Reijnier Hendrik van den Berg (notabene een ouderling met een lange staat van dienst!), die gewoon was op hoogtijdagen te werken. Met zo iemand kon je toch niet aan één tafel zitten. De zaak werd uitgepraat maar we krijgen toch wel een eigenaardige kijk op onze David.

         Dat hij inderdaad "iets met schepen had" weten we omdat hij in 1725 en in 1728 aken, een schouw, een zee-tui-anker en een paardenlijn veilde. Hij was ook bakenmeester (van 't baken op de Crab).

         Hij vervulde geen kerkelijke bedieningen, wčl was hij sche­pen van 1725 tot 1727. Hij overleed in 1772.

         Fop Aarts Swanevelt had twéé ijzers in 't vuur. Hij was Mr. timmerman en vlasser. Hij was afkomstig van Westmaas, waar hij op 23.03.1704 als lidmaat werd aangenomen. Zijn vrouw was Neel­tje Jans de Man. Hij kocht op 06.12.1713 uit de boedel van Arie Jans de Man en Pietertje Cornelisse Mookhoek een huis op de Buitendijk (Havendijk) en daar wordt hij ook in 1714 en 1723 als lidmaat vermeld. Neeltje overleed in 1720 en Fop maakte op 28.12.1723 zijn testament. Er waren legaten voor de kinderen van zijn zuster Neeltje en zijn broer Coos. Neeltje was ge­trouwd met Cornelis Cornelisse Snijder; haar zoon Aart leerde 't vak van scheepstimmerman (!) en haar zoon Cornelis bekwaamde zich in de bouwerij (vlasserij).

         Fop overleed in 1724 en op 2 februari werd zijn boedel geveild. Het huis op de Buitendijk werd gekocht door Arie Ariens Stoker.

         In mei 1770 leverde Pieter Hakker een acte van indemniteit in van Papendrecht. Zijn vrouw Bastiaantje van der Kuil met haar twee kinderen (Anna 8 jaar en Adriana 1˝ jaar) bracht een dergelijke verklaring uit Alblasserdam.

         In dezelfde maand werden ze beiden keurig lidmaat en als een voorspelling van onheil: op 18.07.1770 werd er een kind van Pieter Hakker begraven.

         Op 02.05.1770 kocht Pieter van Abraham de Vlaming een stuk erf aan de Havendijk. Hij liet daarop een huis bouwen door de huistimmermansbaas Jacobus van Halteren, die hij betaalde met en schuldbekentenis met als onderpand de eerdergenoemde werf.

Bij die gelegenheid werd hij "scheepsmakersbaas" genoemd.

         Al op 26.06.1773 werd door secretaris Paulus Bosveld als gerechtsbode "ten laste van Pieter Hacker, gewezen scheepma­ker", het huis aan de Havendijk overgedragen aan Jacob van Heeren.

Hij was op 05.06.1773 door hem bij executie verkocht op verzoek van de erfgenamen van Jan van der Linden, steenbakkers even buiten Dordrecht.

Eerder, op 07.04.1773, had hij op verzoek van Pieter Bornwater, koopman te Dordrecht, ook al 't een en ander geveild.

         't Is duidelijk, Pieter Hacker was geen zakenman, of alles moet tegen hem hebben samengespannen. Volgens 't lidmatenboek vertrok het echtpaar in 1774 naar Rotterdam.

         Jacob van Heeren wist spoedig een koper voor 't huis aan de Havendijk; op 13.03.1776 werd het overgedragen aan de Mr tim­merman Lodewijk Bongers. Deze was op 06.04.1772 lidmaat gewor­den als "Ludwig Bongaerts". Hij bracht een acte van indemniteit mee van Yssum ("in 't Keulsche"). Hij trouwde met Maria Willems van Moerkerken, die op 20.03.1777 lidmaat werd. In 1775 liet 't echtpaar een kind begraven.

         Lodewijk was schepen van 1796-1803. Hij maakte in 1778 en 1779 een uurwijzer aan de kerktoren, nieuwe kerkbanken, een nieuwe schutting om de pastorie en hij nam 't onderhoud van het uurwerk aan. Hij was nogal actief in het veilen van iepen- en essenhout. Hij overleed in 1805.

         Op 24.12.1791 kocht de Mr timmerman Huibert van Moerkerken van Pieter van Buuren een huis aan de Havendijk. Ik weet van de man niet meer te vertellen dan dat hij in 1809 overleed.

         Hij had op 25.05.1798 een gedeelte van zijn erf overgedaan aan de Mr. Timmerman Barend Knoest. Deze was -afkomstig van Steenderen - in 1793 te 's-Gravendeel lidmaat geworden.

         Direct al waren er moeilijkheden en liet hij beslag leggen op het fregat-schip Liberté (kapitein Eveling). De reden is niet helemaal duidelijk. Wellicht had hij aan boord een karwei gedaan en was men niet vlot met betalen? In 1798 liet hij bouw­materiaal veilen, liggende op een erf in Bevershoek.

         Het ging hem niet voor de wind en om wat bij te verdienen liet hij zich admitteren als herbergier en tapper van wijn en bier. In 1798 stak hij zich in de schuld met zijn huis aan de Havendijk als onderpand. ook dŕt mocht niet baten. Zijn boedel werd insolvent verklaard en geveild. Het huis werd verkocht aan Frans Bijvank. Barend verliet de plaats.

         Op 10.09.1796 werd de scheepstimmerman Adrianus Verhoeven lidmaat te 's-Gravendeel. Zijn vrouw Sijgje van Harthals volg­de in april 1798. Beiden waren afkomstig van Puttershoek. Hij kocht op 11.03.1799 een huis aan de Havendijk en daarmee de buurman van Lodewijk Bongers. Het echtpaar liet in 1798 en in 1800 een kind begraven en daarmee was de ellende niet voorbij.

Op 18.11.1800 maakten zij hun testament en kort daarna overleed Sijgje. In 't doodboek staat aangetekend op 25.11.1800: "Op no. 138 Sijgje van Harthals en haar kind in één kist, zijnde de vrouw en kind van Adrianus Verhoeven".

         Adrianus hertrouwde, maar dat was blijkbaar geen goed huwe­lijk, want op 17.06.1807 werd bij de rechtbank een verzoek ingediend om scheiding van tafel en bed. Zijn vrouw zou 't jongste kind meenemen. De kerkeraad wist niet beter te doen dan Adrianus hierom te censureren.

         't Ging ook verder niet goed. Onze scheepstimmerman stak zich in de schulden en op 07.10.1809 werd zijn werk moet huis aan de Havendijk geveild. Koper was Arie Kuil te Dordrecht.

Het lijkt duidelijk. Er was, althans vóór 1800, voor gespecia­liseerde scheepstimmerlieden geen emplooi in 's-Gravendeel.

Bronnen: Rechterlijk- en notarieel archief; archief Kerkeraad.
 

Smeden

door Dr. D.W. Gravendeel

         Als in de vroege jaren iemand werd aangeduid met de toenaam "Smit", kan men er zeker van zijn dat die persoon het smitsam­bacht ook daadwerkelijk uitoefende. Naarmate de naam tot fami­lienaam werd, wordt die zekerheid aanmerkelijk minder. Het 's-Gravendeelse archief ritselt van de Smitten die met het smids­vak niets van doen hebben, maar dat moet in het begin natuur­lijk anders zijn geweest.

         In 1601 woonde een Marinus Marinusse Smit in de Lange­straat, maar in 1604 verbleef hij in 't Land van Altena, een gebied waar wel meer lieden heen trokken als ze financieel in moeilijkheden zaten.

         Jan Pieters Smit verkocht in 1621 een huis in de Lange­straat en Hendrik de Smit transporteerde in 1630 een pand in de Noord Voorstraat.

         Isaack Rocusse Smit komt verderop nog ter sprake.

         Zij allen hebben vermoedelijk gedacht in het nieuwe dorp een bestaan op te bouwen, maar dat is slechts een enkeling gelukt.

         De smid was een belangrijk man in de dorpsgemeenschap. Hij maakte en herstelde huishoudelijke voorwerpen, gereedschap en landbouwwerktuigen. Hij besloeg paarden en tevens fungeerde hij als veearts.

         In 's-Gravendeel is de eerste duidelijk geprofileerde ver­te­genwoordiger van het gilde Fop Batiaens Smit, geboren in 1560 en wonende op het 3e erf van de Zuid Voorstraat, gerekend vanaf de Langestraat.

         Merkwaardigerwijs komt hij in 't archief in een heel ande­re hoedanigheid naar voren. Hij trad namelijk met grote regel­maat voor de vierschaar op als procureur en daarmee zal hij wel een aardige stuiver verdiend hebben.

         In 1597 en 1609 leende hij geld "van de armen" (de diaco­nie); de tweede keer verbond hij zijn huis in de Zuid Voor­straat en zijn aambeeld. In 1599 leverde hij ijzerwerk voor de Korenmolen.

         Fop was getrouwd met Maria Cornelisse, die in 1604 over­leed. Hij bleek achter met 8 kinderen (Aafke, Liedewij, Corne­lis, Neeltje, Willem, Leentje, Arie en Bastiaan). De laatste was 1˝ jaar oud. Naar de zede van de tijd zal hij wel snel hertrouwd zijn, maar daarvan heb ik niets kunnen vinden.

         Waarschijnlijk had hij in z'n werkplaats een verbanddoos, want in 1607 verbond hij, na een vechtpartij, de "smerte" van een zekere Pieter Cornelisse.

         Op 09.04.1609 was hij aanwezig toen de eerste kerkklok werd gehangen in een "stelagije". Daarvoor had hij ook het ijzerwerk geleverd.

         Hij komt voor op de dorpsrekeningen van 1620 en 1621. Hij wordt voor 't laatst genoemd in 1630, toen hij zich borg stel­de. Vermoedelijk is hij omstreeks dat jaar overleden.

         Op 10.05.1633 verkocht Jan Jans Neef het huis op de hoek van de Zuid Voorstraat en de Langestraat aan Isaack Rokusse Smit, getrouwd met Geertje Ariens. De man overleed reeds in 1637 en op 13 juni van dat jaar werden door zijn broer Abraham Rokusse als voogd van het weeskind huis, huisraad en smidsge­reedschap geveild.

         Het huis werd gekocht door Jacob Wouters Smit, die blijk­baar goed in z'n slappe was zat, want op 16.07.1644 werd hij officieel bedankt voor zijn vlotte betaling.

         Jacob was eerst getrouwd met Teuntje Gerrits (┼1649) waar­uit de kinderen Jan, Ingetje, Neeltje en Ariaantje bekend zijn. Hij hertrouwde met Leentje Ingens Boer (┼1665) uit welk huwe­lijke in 1650 dochter Teuntje werd geboren. Zijn derde huwelijk moet van heel korte duur zijn geweest, want in 1665 was hij ook al weduwnaar van Pietertje Pieters.

         Jacob voerde voor de vierschaar in 1650 een proces tegen Bastiaan Dirks van der Stee, terzake van het "meesteren" van enige paarden.

         In 1660, toen kort na de bedijking van de polder Wieldrecht bij de sluis het eerste huis werd gebouwd door Willem Wouters Vroman, leverde hij daarvoor het ijzerwerk.

         Jacob vond het op 16.01.1665 tijd voor de toekomst te zor­gen en hij legateerde aan zijn zoon Jan "zijn winkel, gereed­schap, coolhuis en ooststal". Jan trouwde in 1671 met Jaspe­rijntje Matthijsse. Bij nader inzien vond de familie het toch beter Jan eerst de smidswinkel maar eens een poosje te verhuren en dat gebeurde op 24.09.16678.

         Wat er tussen kwam weet ik niet, maar in 1687 was Jacob Wouters overleden en op 22 februari van dat jaar veilden de erfgenamen het huis in de Zuid Voorstraat. Het werd gekocht door Willem Pieters van Es te Wieldrecht, die het op 30.10.1704 weer verkocht aan Christiaan Groote, maar toen was het allang geen smederij meer.

         N.B. Jacob Wouters komt wčl in de dorpsrekening voor, zoon Jan niet. Wel staat Jan op 't Quohier van 1680 in de Zuid Voor­straat: "Jan Jacobs, een smit". Het huis stond echter nog op naam van zijn vader.

         De verkoop van het huis in de Zuid Voorstraat betekende niet het einde an de loopbaan van Jan als smid. Op 08.11.1648 kocht Jan Jacobs Smit van Gerrit Walburg een huis op het 2e erf van de Langestraat, gerekend vanaf het centrum, aan de rechter­kant.

         Hij transporteerde het op 24.07.1707 aan zijn zoon Wouter Jans van der Giessen, die in dat jaar was getrouwd met Pieter­nella Cornelisse van der Joen, afkomstig van Ridderkerk. Beiden zijn in 1714 lidmaat. Op 20.03.1732 sluit Wouter een overeen­komst met Hendrik van Driel, zijn buurman op het 1e erf, be­treffende hun erfscheiding.

         Wouter was schepen van 1722 tot 1729. Hoewel Wouter gere­geld voorkomt op de dorpsrekeningen gingen de zaken toch blijk­baar niet zo goed. Pieternella overleed in 1740 en Wouter in 1750. De curator in de insolvente boedel van Wouter Jans van der Giessen, in leven meestersmid, verkocht op 20.07.1758 een huis en smidswinkel in de Langestraat aan de meestersmid Wouter van Turenhout, getrouwd met dochter Ariaantje Wouters van der Giessen. Wouter was lidmaat geworden in 1756. Het echtpaar kreeg vier kinderen (Jan, Pieter, Wouter en Cornelis), waarvan Jan bij testament in 1791 het huis in de Langestraat met de smidswinkel kreeg toebedeeld. Wouter overleed in 1794, Ariaan­tje was al in 1783 gestorven. Wouter was kerkmeester in 1768 en 1772; hij kwam ook geregeld als smid voor op de dorpsrekenin­gen.

`Jan Wouters van Turenhout, lidmaat geworden in 1781, trouwde met Jannigje Cornelisse Molendijk, lidmaat geworden in 1783. Ze maakten hun testament op 22.08.1808; ze hadden toen één kind (een zoon).

         Pieter Cornelisse van Es kocht op 27.12.1644 van Arie Cor­ne­lisse Bijl het huis op 't 4e erf van de Zuid Voorstraat, gere­kend vanaf de Langestraat. Hij was getrouwd met Maaike Corne­lisse Bijl. Zij hadden 5 kinderen: Willem, Lena, Ariaan­tje, Hilligje en Cornelis

         Pieter was diaken in 1657 en op het Quohier van 1680 staat hij vermeld als "een smitt".

         Op 02.06.1685 kocht hij ook het huis op 't 2e erf van de Zuid Voorstraat. Kort daarna overleed hij en zijn weduwe ver­kocht het pand aan de chirurgijn Mr Jan Geervliet op 02.05.1691.

         Maaike overleed op 08.11.1698 en zoon Cornelis hield de smidswinkel nog even draaiende, maar het huis werd tenslotte op 27.04.1707 verkocht aan Joost Bastiaans Rijkhoek, een schoenma­ker.

         Cornelis had namelijk "kennis aan" een Maasdams meisje en in 1712 trouwde hij daar met Jacomijntje Jacobs Coppe en ging er met haar wonen.

         Leendert Corsse van Roon verkocht op 05.04.1691 een huis op het 8e erf van de Zuid Voorstraat (gerekend vanaf de Lange­straat) aan Hendrik Dirks van Leent. Deze was in 1687 te Baren­drecht getrouwd met Ingetje Ariens van der Steen, in 1660 te Ridderkerk geboren.

         Hendrik kon in 't begin kennelijk maar een karige boterham bij elkaar smeden en daarom huurde hij in 1694 onder Wieldrecht een stuk grond aan de Reeweg om een smidswinkel op te bouwen. Daar werkte zijn knecht Arie Jans de Jong. Dat alles was niet naar de zin van het Smidsgilde van Dordrecht en dat liet in 1697 het gereedschap weghalen.

         Hendrik was schepen van 1711 t/m 1715 en diaken in 1716. Hij overleed in 1722 en zijn weduwe (┼1724) transporteerde het huis aan zoon Dirk Hendriks van Leent, geboren in 1679 en ge­trouwd met Pieternella Huigen Munster. Beiden waren in 1714 lidmaat.

         Dirk was Schepen van 1727 t/m 1734. Op 27.03.1730 veilde hij zijn huis in de Zuid Voorstraat. Koper was Rein Paulusse van der Linden. Er voor in de plaats kocht hij op 08.04.1730 van de erfgenamen van Arie Dirks Quartel en Lijsbeth Rijkhoek het huis op de hoek van de Noord Voorstraat (op het 1e erf vanaf het centrum).

         Pieternella overleed in 1750, Dirk in 1752.

         Dochter Ingetje was in 1752 getrouwd met Gijsbert Willems Bijl, geboren in 1723 in Zuid Beijerland, en deze nam de winkel over. Hij komt ook sindsdien geregeld als smid voor op de dorpsrekeningen.

         Op 03.04.1770 maakten zij hun testament en Ingetje overleed nog dezelfde maand. Gijsbert hertrouwde met Cornelia Stoker. Hij overleed op 18.07.1796.

         Vermoedelijk werd de winkel overgenomen door zoon Dirk, in 1799 als smid genoemd.

N.B. De Nederlandsche Stad- en Dorpbeschrijver (L. van Ollefen en R. Bakker, 1795) laat elke plaatsbeschrijving voorafgaan door een prentje. Voor 's-Gravendeel (en ook voor veel andere dor­pen) is dat de gravure van J. van Diepenhuijsen naar een teke­ning van Anna Ca. Brouwer. Het is een gezicht van de Kaai 't dorp in: de Noord Voorstraat. Het is zelfs met het blote oog te zien, maar met een loupe gaat 't iets beter: vóór het eerste huis van de Noord Voorstraat (bij de kerk) staat een travaile en wat is nu een beter bewijs voor de aanwezigheid van een smid? Dat dit detail werd getekend, bewijst dat Anna ter plaat­se werkte en niet maar wat fantaseerde.

Bronnen: Rechterlijk en notarieel archief.
Weversfamilies

door Dr. D.W.Gravendeel

         De wever had vroeger een verantwoordelijke taak. Hij had er voor te zorgen dat op het dorp de inhoud van de linnenkasten op peil bleef. Het was geen ambacht om rijk van te worden, maar dat gold voor de meeste andere beroepen evenzeer.

         In 1610 was Michiel Hendriks Trappenier (Wever) op 's-Gra­vendeel komen wonen. Hij was toen 42 jaar oud, trouwde met Marigje Pieters, weduwe van jan Cornelisse en beloofde haar weeskind op te voeden. Michiel woonde in een huurhuis en hij had moeite de huur op te brengen.

         Op 01.08.1613 verzocht hij schout en schepenen om een ver­klaring van goed gedrag, want hij wilde vertrekken, in de hoop op een betere plaats. Die "betere plaatsen" lagen niet opge­schept en Michiel bleef op 't dorp.

         Het ging hem kennelijk zo zoetjes aan toch wat beter, want op 11.07.1619 nam hij het eerste en tweede erf in de Lange Kerkstraat in erfpacht. Hij moest daarop binnen het jaar een huis zetten met een stenen gevel en een stenen schouw.

         Over zijn verdere lotgevallen zwijgt het archief.

         Het aantal wevers op het dorp was niet groot. Het "quohier van alle de familiën" van 1680 noemt in de Noord Voorstraat Jan Pieters, in de Kerkstraat Dirk Pieters Naeus en Teunis Jans Bergs, in de Langestraat Hendrik van Geel en aan de noordzijde van de Rijkestraat Hendrik Ariens van Hees. Alleen Jan Pieters in de Noord Voorstraat woonde toen in een huurhuis.

         Het vlas, de grondstof, werd wel ter plaatse verbouwd en verwerkt, maar dan kon de wever er nog niets mee beginnen. Over alles wat met spinnen te maken heeft, zwijgt het archief. Het was geen zelfstandig beroep, maar het behoorde tot de omvang­rij­ke taak van de huisvrouw. Alleen als die in bijzondere om­stan­digheden kwam te verkeren kwam het een enkele maal op schrift. Zo noemt het quohier van 1680 in de Noord Voorstraat Jeane Gijse "een weduwe die met spinne de cost wint" en Anneke Wage­maeckers "een vrouw die haar man nae Oostindië is en een drae­tie spint voor de kost". In de Langestraat woonde de weduwe van de chirurgijn Leendert van Geemert, "wint haar kost met spin­nen". Maar het is natuurlijk ondenkbaar dat die drie dames de hele bevoorrading van vijf wevers voor hun rekening namen.

         Het was bij de wevers als bij andere ambachtslieden, ons kent ons. Men trouwde onder elkaar en de vererving van de "win­kel" ging net zo gemakkelijk van vader of moeder op zoon als op schoonzoon. Daarvan is het volgende verhaal een mooi voorbeeld.

         Omstreeks 1700 vestigde zich te 's-Gravendeel de wever Pieter Meeuwisse van Breugel. Hij kan geboren zijn ca. 1680. Zijn herkomst is niet bekend. Hij trouwde met Stijntje Corne­lisse, dochter van Cornelis Dirks Pluijmert en Margriet Wessels Kemper. Uit dit huwelijk werden geboren Meeuwis, Frederik en Maaike. Frederik voer in 1737 naar Indië en overleed daar.

         Het gezin kon zich geen eigen woning veroorloven, maar nam wel door de diaconie bestede kinderen in huis.

         Stijntje overleed in 1719 en Pieter hertrouwde met Cathari­na Dooms. Uit dit huwelijk werden in 1722, 1723 en 1724 kinder­tjes begraven. Niet bekend is of er ook in leven bleven.

         Pieter overleed in 1727 en de boedel was insolvent; op 01.11.1727 werd de inboedel geveild.

         Zoon Meeuwis Pieters van Breugel nam de winkel over. Hij kan omstreeks 1720 geboren zijn. Hij werd lidmaat in 1745 en woonde toen in de Langestraat.

         Meeuwis trouwde met Dirkje Dirks van der Linden, uit welk huwelijk werden geboren Jannetje, Stijntje en Pietertje.

         De man mag dan een trouw lidmaat zijn geweest, toch had de kerkenraad soms wat op hem aan te merken. Zo had hij eens, in 1745, met de boeren op zonder over vlas gehandeld en in 1747 zou hij een keer dronken zijn geweest. Redenen tot vermaning!

         Dirkje overleed in 1758 en Meeuwis hertrouwde met Teuntje Vermeulen, afkomstig uit Aluskerk en in 1769 lidmaat geworden. Uit dit huwelijk werden Annigje en Pieter geboren.

         Intussen had Meeuwis kans gezien zich een eigen huis te verwerven. Op 10.04.1736 had hij het door Cornelis Pluijmert nagelaten huis in de Langestraat gekocht.

         Meeuwis overleed in 1781 en zijn erfgenamen verkochten ook in dat jaar het boven genoemde huis. Teuntje overleed in 1798.

         Toch was hiermee de weverswinkel van Van Breugel niet van de baan. Wat was namelijk het geval?

         Stijntje, dochter van eerder genoemde Meeuwis, geboren omstreeks 1750, had in 1774 belijdenis gedaan en was vervolgens in dienstbetrekking gegaan in Sliedrecht. Daar maakte zij ken­nis met de weduwenaar Lucas van Diest, geboren in 1736, vader van vier kinderen en wever van beroep. Het hele stel kwam ver­volgens in 1783 naar 's-Gravendeel. Dar was inmiddels, zoals we zagen, het huis van Meeuwis van Breugel verkocht en Lucas zag geen kans zelf een woning aan te schaffen, maar er was natuur­lijk wel iets te huur.

         Stijntje overleed in 1794. Er zijn uit jaar huwelijk geen kinderen bekend. Lucas hertrouwde in hetzelfde jaar met Sara Jacobusse de Koomen, die in 1770 lidmaat was geworden. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen bekend. Toen het paar op 13.07.1795 zijn testament maakte, benoemde Lucas tot zijn erfgenamen zijn vrouw en zijn vier kinderen uit zijn eerste huwelijk met Leen­tje Batenburg. Zij zouden ook de weverswinkel erven.

         Lucas verdiende er wat bij als "vette wariër" (Handelaar in vetwaren, ook in kruidenierswaren in 't algemeen), en als klei­ne kramer van zout, waarvoor hij respectievelijk in 1899 en 1800 admissie kreeg.

         Beiden overleden in 1813. De dood van Lucas werd aangegeven door zijn zoon Cornelis, wever te Strijen. Lucas woonde toen in de Langestraat no. 160.

         Zoon Reijer was al in 1809 overleden, dus voer jaar eerder dan zijn vader. Hij was getrouwd met Maaike Verspoor en dat brengt ons bij de volgende weversfamilie.

         In 1697 trouwde te 's-Gravendeel de linnenwever Aelbert Jans Verspoor met Pieternel Fransse Vessens. Aelbert kocht op 26.01.1708 een huis aan de Zuidzijde van de Rijkestraat. De man moet omstreeks 1713 zijn overleden, maar zijn weduwe wordt in 1714 en 1723 vermeld als lidmaat in de Rijkestraat. Zij over­leed in 1735.

         Zoon Jan Aelberts Verspoor, geboren omstreeks 1700, was lidmat in 1723. Hij werd in 1738 aangesteld tot catechiseer­meester. Hij was getrouwd met Elsje Jacobs Appel. Uit dit huwe­lijk werden tussen 1737 en 1743 vier kindertjes begraven. In leven bleven Aelbert (┼ 1771), Pieternel (┼1752) en Jacob (┼1753). Of er meer kinderen waren is niet bekend. Jan overleed in 1752 en Elsje in 1777.

         Zoon Aelbert nam de winkel over. Hij zou Andries Ariens Verkerk, die bij zijn moede was besteed, leren weven. Aelbert overleed in 1771. Wie zijn vrouw was, heb ik niet kunnen vin­den, maar zijn dochter Maaike, geboren omstreeks 1750 en lid­maat geworden in 1769, trouwde met Reijer van Diest zoals we zagen.

         Na de dood van Reijer verkocht Maaike op 26.03.1817 het huis Rijkestraat no. 213 aan Gerrit van Lieshout, eveneens wever van beroep. Hij was geboren in 1783 te Breugel en ge­trouwd met Johanna Kortman, geboren in 1794 te Zwijndrecht. Uit dit huwelijk werden 5 kinderen geboren: Matthijs, Hendrik, Johannes, Willemina en Kaatje.

         Het huis aan de Zuidzijde van de Rijkestraat, op het 9e erf gerekend vanaf de dijk, had dus langer dan een eeuw een wevers­winkel geherbergd.

Bronnen: Rechterlijk archief; Acta Kerkenraad.   
 
 
Wagenmakers
 door Dr. D.W. Gravendeel

De wagenmaker nam binnen het gilde van de timmerlieden net zo'n belangrijke plaats in als de gareelmaker bij de leerbewerkers. Hij was de basis van het trio zonder hetwelk het boerenbedrijf in vroeger jaren ernstig onthand zou zijn geweest: wagenmaker - smid - gareelmaker.

In de allereerste jaren van het bestaan van het dorp had Corne­lis Ariens de Wagemaker een huis aan de Noord Voorstraat op het 5e erf gerekend vanaf de Zeedijk. Hij leende in 1597 geld van de diaconie, maar moest zich in 1600 opnieuw in de schuld ste­ken met z'n huis als onderpand. Blijkbaar gingen de zaken niet goed en redde hij het niet, want op 29.05.1602 verkocht hij zijn huis aan Arie Cornelisse Berck, de molenaar. Hij woonde toen in 't Land van Altena, een toevluchtsoord voor lieden die financieel knijp zaten.

         Op 26.05.1649 kocht Arie Gerrits Wagemaker een huis in de Langestraat op het 2e erf aan de rechterzijde gerekend vanaf het centrum. Hij was getrouwd met Neeltje Pieters. Beiden waren lidmaat in 1663. Zij hadden tenminste 4 kinderen: Anneke, Ari­aantje, Pietertje en Gerrit. Arie was verzot op veilingen; hij liep ze tussen 1641 en 1668 allemaal af. Het echtpaar maakte zijn testament op 22.09.1650. Neeltje was toen ziek, maar zij herstelde.

         Arie overleed in 1670 en zijn weduwe hield op 18.03.1671 een veiling. Vermoedelijk overleed zij niet lang daarna, want het huis werd geveild op 08.02.1674.

         Koper was zoon Gerrit Ariens Wagemaker, getrouwd met Corne­lia Pieters. Lang hadden ze geen plezier van hun koop, want Cornelia overleed in hetzelfde jaar. Gerrit liet een inventaris maken van haar goederen en hield op 29.12.1674 een veiling.

         Hijzelf moet vroeg in het daarop volgende jaar overleden zijn, want het huis in de Langestraat werd op 27.06.1675 ge­veild door zijn zuster Pietertje Ariens, getrouwd met Jacob Jans Ysselstein.

         De twee kindertjes (een zoon en een dochtertje) werden "besteed", o.a. bij hun tantes Anneke en Pietertje. Curieus is dat zoon Arie, geboren in 1671, later naar Ooltgensplaat trok, daar trouwde en er het ambacht van wagenmaker (!) uitoefende. Toen hij omstreeks 1723 overleed, klopte de diaconie bij z'n weduwe aan om restitutie van de kosten van onderstand in Arie's jeugd (de besteding!), maar die gaf niet thuis.

         Op 21.12.1651 kocht de wagenmaker Huijbrecht Ariens Sangers een huis aan de Zuid Voorstraat op het 5e erf gerekend vanaf de Langestraat. Nergens lezen we de naam van zijn vrouw. Hij had twee kinderen: Arie en Lijsbeth. Huijbrecht was candidaat-kerk­meester in 1656 en ouderling in 1676.

         In 1663 liet hij kennelijk z'n huis grondig verbouwen, want hij tekende een schuldbekentenis aan de erfgenamen van Jan Willem Metselaar te Heerjansdam terzake van materiaal en ar­beidsloon voor dat huis.

         Ook moest hij er geld voor lenen met datzelfde huis als onderpand. Op 24.10.1667 stak hij zich opnieuw in de schuld.

         Het hout voor zijn wagens betrok hij uit Duitsland. Op 15.07.1669 tekende hij een schuldbekentenis aan Hendrik Gijs­berts Hertoch, schipper van de Roer, terzake van geleverd hout.

         In 1689 droeg hij als ouderling ¦ 5,- bij in de kosten van het maken van een bank in de kerk voor oud-kerkeraadsleden.

         Huijbrecht overleed in 1706 en de zaak werd voortgezet door zijn zoon Arie Huijbrechts Sangers en schoonzoon Joost Teunisse Maas, getrouwd met dochter Lijsbeth. Zij waren allen lidmaat in 1714.

         Joost overleed in 1723 en hij liet 2 dochters na, die voor de opvolging zorgden.

         Dochter Ariaantje Jooste Maas was getrouwd met Leendert van Rugge, die behalve als wagenmaker ook actief was als schilder en slachter.

         In 1724 was er grote ruzie tussen Leendert en Ariaantje enerzijds en anderzijds Arie Huijbrechts en zijn zuster Lijs­beth met haar tweede dochter Maaike. Predikant en ouderling moesten er aan te pas komen en die wisten partijen te verzoe­nen. Er zak wel gedreigd zijn met censuur; dat was in dergelij­ke gevallen meestal een probaat middel.

         Arie Huijbrechts overleed in 1726; zijn zuster Lijsbeth was zijn erfgenaam. Lijsbeth transporteerde op 26.02.1728 aan Hen­drik de Bruijn, meerderjarige jongeman, afkomstig van Strij­en en lidmaat geworden in 1723, de helft van het huis aan de Zuid Voorstraat, met de helft van de inboedel, het wagenmakers­ge­reedschap en de inschulden. Nog in hetzelfde jaar trouwde Hen­drik met dochter Maaike Jooste, eveneens lidmaat geworden in 1723. Er zijn uit dat huwelijk 4 kinderen bekend: Aaltje, Huig, Marigje en Arie.

         Ariaantje Jooste overleed in 1759, Leendert van Rugge in 1763 en Maaike Jooste in 1782. Hendrik de Bruijn maakte zijn testament op 02.06.1792. Hij overleed in 1793.

         Hendrik had het huis in de Zuid Voorstraat al op 12.02.1765 getransporteerd aan zijn schoonzoon, de wagenmaker - schilder Dames van Warendorp, afkomstig van Krimpen aan de Lek en lid­maat geworden in 1756. Dames was getrouwd met Marigje de Bruijn, geboren in 1740 en lidmaat geworden in 1765. Uit dit huwelijk zijn 5 kinderen bekend: Pieternella, Hendrik, Frans, Pieter en Zwana.

         Dames was diaken in 1759, 1764 en 1768, ouderling in 1772, 1777, 1780, 1783, 1787 en 1792; dat laatste jaar ondanks het feit dat hij in 1790 had verzocht wegens hoge ouderdom niet meer genomineerd te worden.

         Hij was niet vies van enige bijverdienste. In 1791 kreeg hij admissie als herbergier en tapper, terwijl Marigje in het­zelfde jaar vergunning kreeg voor de verkoop van koffie, thee en chocolade. Dames was ook ijkmeester, van de dorpsijk (ver­dienste ¦ 12,- per jaar!).

         Marigje overleed in 1797 en Dames in 1804. Op 24.05.1804 was er een veiling van huisraad uit de boedel.

         Het bedrijf werd voortgezet door zoon Hendrik Damese van Warendorp, geboren in 1766 en lidmaat geworden in 1785. Hij was getrouwd met Anna Jans Dorst, lidmaat geworden in 1788.

Hendrik was kerkmeester in 1794, diaken in 1797 en 1802 en ouderling in 1812. Hij diende als schepen van 1804 tot 1811. Hij overleed in 1814.

Bronnen: Rechterlijk en notarieel archief, Acte Kerkeraad, Begraafboek.
 
Bakkers
door Dr. D.W. Gravendeel

         Het bakken van brood behoorde van oudsher tot de vele taken van de huisvrouw en op 't platteland is dat nog heel lang zo gebleven. Ook op het dorp heeft 't lang geduurd alvorens men aan 't idee gewend was, zijn brood in een winkel te kopen. In 1680 was er in 's-Gravendeel nog maar één bakker. Die had zich daar in 1654 gevestigd en 't duurde zestig jaar vóór hij con­currentie kreeg. Pas rond de eeuwwisseling (1800) kwamen er meer bakkers en die vestigden zich ook in de "buitenwijken".

         Voor zover valt na te gaan, is Boudewijn Jans Backer (Wolff) de eerste geweest die in 's-Gravendeel zijn beroep maakte van het bakken van brood voor de verkoop. Hij kocht op 28.05.1654 een huis aan de Noord Voorstraat, op 't 4e erf gerekend vanaf de Zeedijk, en begon daar een bakkerij. Helemaal zonder moei­lijkheden ging 't kennelijk niet. Tweemaal moest hij geld le­nen, in 1666 en 1669, beide keren met z'n huis als onderpand.

         Hij was in 1658 candidaat-kerkmeester. Zijn vrouw heette Lijsbeth Jans. Zijn twee zoons, Jan en Frans, hadden beiden een dochter van die naam. Boudewijn moet overleden zijn tussen 1676 en 1680.

         De bakkerij werd voortgezet door zijn zoon Frans Boudewijns Wolff, die op 04.04.1689 het belendende pand aan de Noord Voor­straat op 't 5e erf erbij kocht. Hij was kerkmeester in 1683 en diaken in 1692. Zijn vrouw was Ariaantje Jorisse Schouten, lidmaat in 1706. Frans overleed in 1705 en Ariaantje in 1716.

         Opvolger was Willem Mom, getrouwd met dochter Lijsbeth Fransse Wolff, lidmaat geworden in 1709. Uit dit huwelijk wer­den tussen 1720 en 1724 vier kindertjes begraven. Willem en Lijsbeth maakten op 21.07.1717 hun testament en Lijsbeth over­leed in 1724.

Willem hertrouwde met Barber van Raamsdonck, lidmaat geworden in 1723 met attestatie van de Zwaluwe. Uit dit huwelijk werden tussen 1726 en 1732 vier kindertjes begraven.

Barber was geen trouwe kerkgangster en ze werd daarom door de kerkenraad vermaand. In 1749 maakte het echtpaar ruzie, "tot slaans toe" met de kerkmeester Bastiaan Naaktgeboren!

Barber overleed in 1751 en Willem in 1757.

         De zaak werd overgenomen door Jan Willems Mom, zoon uit 't eerste huwelijk van Willem. Jan moet al heel jong getrouwd zijn, maar de naam van zijn eerste vrouw wordt nergens genoemd. Zij overleed in 1745, nadat er tussen 1735 en 1745 vijf kinder­tjes uit dit huwelijk waren begraven. Jan maakte een nieuwe start, werd lidmaat in 1749 en hertrouwde met Cornelia de Kreek, lidmaat geworden in 1745. Ook uit dit huwelijk werden nogal wat kindertjes begraven, maar liefst acht tussen 1752 en 1764. Dochter Antje bleef leven en werd in 1806 gecensureerd "wegens dronkenschap en mishandeling van haar eigen moeder"!

         Jan Mom overleed in 1780 en Cornelia belastte de twee hui­zen aan de Noord Voorstraat hypothecair in 1784, 1788 en 1798. Zij overleed in 1808.

         Opvolger was Pieter Hendriks de Vries, afkomstig van Bles­kensgraaf en lidmaat geworden in 1785. Hij was eerst getrouwd met Neeltje Mom (uit welk huwelijk 4 kinderen: Cornelia, Lena, Jannigje en Hendrik), maar die overleed nog vóór haar moeder, namelijk in 1806. Pieter hertrouwde met Neeltje Maartens Boer.

         Hij kreeg in 1796 een admissie als herbergier en tapper, was in 1808 diaken en mocht "voor de armen" bakken in 1794, 1809 en 1812.

         Cors Rokusse Smits was geboren in 1679 als zoon van Rokus Maartens Smits (†1708) en Maria Corsse van Roon (†1716). Hij erfde van zijn ouders een huis aan de Noord Voorstraat op het 2e erf gerekend vanaf de Zeedijk, en begon daar een bakkerij. Hij werd lidmaat in 1731, trouwde met Anna Ariens Goudriaan. Toen het paar op 13.10.1753 zijn testament maakte, waren er twee zoons (Rokus en Arie) en twee dochters (Maria en Woutje). Cors was kerkmeester in 1737. Hij overleed vermoedelijk in 176, Anna in 1770.

         Opvolger was zoon Rokus Corsse Smits, lidmaat geworden in 1754 en in 1760 getrouwd met Kommerijntje Ariens Stam, lidmaat geworden in 1755. Hij dacht aan de toekomst en kocht op 29.11.1776 ook nog maar een huis aan de Zuid Voorstraat op het 7e erf gerekend vanaf de Langestraat. Kommerijntje overleed in 1787 en Rokus in 1798.

         Zoom Arie Rokusse Smits, lidmaat geworden in 1785 en in 1794 getrouwd met Anna de Quartel, lidmaat geworden in 1792, zette de zaak aan de Noord Voorstraat voort. Hij mocht in 1797, 1807 en 1811 "voor de armen" bakken. Dit laatste jaar kwam het er niet meer van, want in oktober 1809 werden huisraad en hui­zen uit hun insolvente boedel geveild. Hij had 't niet kunnen red­den en ook al verkreeg hij in 1794 admissie voor de verkoop van koffie, thee en chocolade en in 1795 als vettewarier en als herbergier en tapper.

         Zoon Christiaan Rokusse Smits, lidmaat geworden in 1796, ging bakken in de Zuid Voorstraat. Hij was kerkmeester in 1812 en werd in 1815 candidaat gesteld voor diaken, maar die beroe­ping wees hij af, omdat hij "bereids met een lastpost gechar­geerd was". In 1811 zat hij in de commissie tot regeling van het achterstallige predikantensalaris. Hij mocht in 1810 en 1813 "voor de armen" bakken.

         N.B. Op het prentje in de Nederlandsche Stad- en Dorpbe­schrijver (1795), getekend door Anna Catharina Brouwer en ge­graveerd door J. van Diepenhuijsen, is aan de gevel van het tweede huis aan de rechterkant een uithangbord te zien. Dat moet van de bakkerswinkel Arie Rokusse Smits zijn geweest.

         Op 04.02.1715 kocht de Mr. bakker Cornelis Arents van der Wulp een huis in de Langestraat, aan de noord-oost-zijde, ach­ter het huis op de hoek van de Langestraat en de Zuid Voor­straat. Die koop was kennelijk overhaast, want reeds op 08.05.1715 kon hij een huis kopen aan de Zuid Voorstraat, op 't 10e erf gere­kend vanaf de Langestraat. Het eerder genoemde huis werd op 28.04.1717 weer verkocht.

         Cornelis was geboren in 1683 en trouwde in 1703 met Tanneke Cente Wardenier, geboren in 1682. Zij was lidmaat in 1714. De vestiging was wel een onderneming en voor alle zekerheid maakte het echtpaar zijn testament op 24.10.1715. Beiden waren gezond. Cornelis overleed in 1736 en Tanneke in 1750.

         Opvolger was zoon Cent Cornelisse van der Wulp, geboren in 1717, aan wie Tanneke op 10.04.1742 de bakkerij in de Zuid Voorstraat getransporteerd had. Cent was getrouwd met Sijtje Dirks van Moerkerken, lidmaat geworden in 1738. Uit het huwe­lijk werden tussen 1744 en 1750 vijf kindertjes begraven. Hele­maal onbegrijpelijk is 't niet dat zij zich aan de drank te buiten ging "en daarvoor vermaand" moest worden. Op 10.01.1751 maakten Cent en Sijtje hun testament. Zij waren toen beiden ziek. Sijtje overleed in 1751.

         Op 04.01.1753 werd bij executie het huis in de Zuid Voor­straat van Cent van der Wulp "gewezen bakker" verkocht aan Gijsbert van Brakel. Cent verdween schijnbaar spoorloos, maar op 03.11.1757 werd door hem een machtiging afgegeven in verband met een erfeniskwestie. Hij was toen Mr. Bakker te "Neusen" (=de oude naam voor Terneuzen).

         Kennelijk werd de bakkerij door Cent gedreven samen met z'n zwager Markus Koning, getrouwd met Ariaantje Cornelisse van der Wulp. Uit dit huwelijk werden in 1751 en 1753 twee kindertjes begraven. Markus had in 1754 zijn admissie als bakker gekregen.

         De verdere geschiedenis is "geheimzinnig". Van Markus ont­breekt elk spoor. Ariaantje kreeg in 1764 admissie voor de verkoop van koffie, thee en azijn. Zij was toen weduwe. Haar man komt in 't doodboek niet voor en is dus waarschijnlijk niet te 's-Gravendeel begraven.

         Ariaantje werd in 1774 lidmaat en vertrok in 1791 naar Brouwershaven.

         Alle ingrediënten voor een drama zijn aanwezig: de drank­zucht van Sijtje, de gerechtelijke verkoop van het huis in de Zuid Voorstraat, het verblijf buitenslands (?) van Cent, de spoorloze verdwijning van Markus en ten slotte de "late beke­ring" van Ariaantje en haar "emigratie" naar elders. 't Zou mij niet verbazen als het archief van de Hoge Vierschaar van Strij­en meer licht op deze geschiedenis kon werpen.

         In 1786 werd Pieter Schotsman lidmaat te 's-Gravendeel. Hij was afkomstig van Steenderen. Hij was bakker en mocht "voor de armen" bakken in 1796, 1811 en 1814. Hij woonde in 1791 aan de Havendijk.

         Arie de Kreek werd lidmaat in 1798. Hij was bakker, maar verzekerde zich ook van een admissie als vettewarier, als her­bergier en tapper en voor de verkoop van koffie, thee en choco­lade. Hij was kerkmeester in 1805, diaken in 1810 en hij mocht in 1815, "voor de armen" bakken. Hij kocht op 13.08.1803 een huis aan de Havendijk bij 't Veer en op 07.06.1804 nog een huis bij de Wacht.

Op 18.05.1805 kocht Gijsbert Cornelisse Batenburg van Teunis Kooiman een huis aan de Schenkeldijk. Hij had een acte van indemniteit meegebracht van Charlois en vestigde zich als bak­ker. Voor alle zekerheid voorzag hij zich ook van vergunningen voor de verkoop van koffie, thee, chocolade, zout en zeep en van een admissie als herbergier en tapper. Hij trouwde met Pieternella Bastiaans van der Burght, geboren in 1784. Op 26.11.1806 zat hij financieel krap en leende geld met als on­derpand zijn huis en bakkersgereedschap.

         Hij redde 't niet, vroeg in 1809 zijn acte van indemniteit terug en vertrok met zijn vrouw en twee kleine kindertjes naar Maasdam.

         Op 29.09.1810 verkochten de curatoren in de insolvente boedel van Gijsbert Batenburg, broodbakker te Maasdam, het huis aan de Schenkeldijk aan Bastiaan de Kreek.

         Jan Johannesse Pluimert werd te 's-Gravendeel lidmaat in 1806, met attestatie van Strijen. Hij trouwde met Anna Corne­lisse van Bommel, lidmaat geworden in 1807, met attestatie van Heinenoord. Jan kocht een huis aan de zuidzijde van de Rijke­straat, op het 2e erf, gerekend vanaf de Langestraat, en begon daar een bakkerij.

         Tussen 1807 en 1811 werden drie kinderen van Jan begraven. In 1809 overleed Anna. Jan was een oppassend man. In 1808 en 1810 mocht hij "voor de armen" bakken en in 1811 kreeg hij een vaste plaats in de kerk.

Bronnen: Rechterlijk en notarieel archief; Acta Kerkeraad; Begraafboek.